Brussel, 23 januari 2007

enron lay
Verdachte overlijdens: Enron manager Glenn Baxter stierf door een vreemde zelfmoord, directeur Kenneth Lay (foto) overleed aan een zware hartaanval kort voordat hij zijn memoires zou gaan schrijven.

In februari van 2001 riep Fortune Magazine Enron nog uit tot meest vernieuwend bedrijf in Amerika. Tot en met april boekte het vooruitstrevend bedrijf een gigantische omzet. Kort daarop werd Enron beticht van het artificiëel opwaarderen van de rekeningen. Een boekhoundige opsmuk had de bel aangebonden van een excessieve zwartmakerij in financiële dagbladen, waarbij zogezegd sprake was van een samenzwering tegen de eigen aandeelhouders. Door propaganda in artikels, boeken en documentaires trapte de pers in de val en riep men al gauw om het bloed van die steenrijke Enron-criminelen.

Dat is het officiële verhaal.

In werkelijkheid zat Enron met het Witte Huis in allerlei zaken verwikkeld en ging het bergaf toen Enron’s directeur Kenneth Lay, een sterk gelovig man, zich van die affaires begon af te keren. Het is immers opvallend dat Enron’s ondergang werd ingeluid kort nadat de top van het bedrijf uit de gunst viel bij het Witte Huis.

Het onheil begon toen Enron’s bedrijfsleiders in april 2001 werden uitgenodigd op de zogenaamde Energy Task Force van vice-president Dick Cheney, officiëel het National Energy Policy Development Group, een inhoudelijk ultrageheime denktank waarin alle vertegenwoordigers van de westerse oliebedrijven bijeen kwamen met de Bush-administratie. Men zou kunnen zeggen dat hier de echte Amerikaanse buitenlandse politiek werd uitgestippeld.
Door een lek van het Departement van Handel kwamen in 2003 documenten van deze groep vrij die kaarten bevatten waarop de olievelden van Irak, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten waren gemarkeerd [1]. Het is duidelijk dat de oorlogen die het Witte Huis sinds Elf September aan de wereld tracht te verkopen om het inpalmen van ’s werelds laatste oliereserves gaan. Vertegenwoordigers van bedrijven zoals Exxon-Mobil, Conoco, Royal Dutch Shell, en de Amerikaanse dochtermaatschappij van British Petroleum hebben voor de schermen altijd ten stelligste ontkend op deze groepsvergaderingen aanwezig te zijn geweest.

Het lijkt aannemelijk dat de vertegenwoordigers van Enron niet voor deze imperialistische geopolitiek te vinden waren en dat het bedrijf daardoor uit de gunst gevallen is. De Bush-dynastie stak zijn eigen financier vervolgens een dolk in de rug — onder het mom van een heldhaftige strijd tegen de Amerikaanse witteboordcriminaliteit, maar in feite omdat Enron niet mee wilde werken en dacht het beter te weten. De Enron-top wist het niet beter, maar wist wel te veel, volgens het Witte Huis. De rancuneuze documentaire met titel ‘Enron, The Smartest Guys in the Room’, een videoreportage waarin de Enronleiding door het slijk wordt gehaald, draagt kenmerken van een CIA-propagandareportage.

De later aan een plotse hartaanval overleden directeur Kenneth Lay deed tijdens zijn proces opmerkelijke doch terechte uitspraken: hij had het over een ‘overcriminalisering‘ van Enron om politieke redenen. Dat bleek te kloppen: tal van beschuldigingen aan het adres van de Enron-directie waren bij de haren getrokken, meer zelfs: het gros van de aanklachten tegen Kenneth Lay hielden verband met andere zaken dan Enrons boekhouding [2]. Verwonderd vroeg Kenneth Lay zich over zijn bedrijf af: “How did it fail and how did it fail so quickly?”. Hij noemde het “een complexer verhaal” dan wat aan de oppervlakte was gebleken, en hield — net zoals zijn collega Jeffrey Skilling — vol, dat de heksenjacht tegen Enron politiek geïnspireerd was geweest [3].

Grote succesvolle bedrijven gaan niet zomaar overstag omwille van boekhoudkundige akkefietjes. Indien dergelijke bedrijven daarentegen niet in de pas lopen van de gevestigde politieke machten — meer bepaald hun contract verbreken met defensie of inlichtingendiensten — zal onheil zich vast en zeker op hun weg bevinden. Het Enron-scenario toont opmerkelijke gelijkenissen met het lot dat L&H was beschoren.

———————————–
Lees ook
Enron demise linked to Energy Task Force meetings?
Ken Lay Info Articles

Advertenties

Brussel, 29 juli 2006

Zoals wel vaker in recente internationale militaire confrontaties, werd de oorlog tussen Hezbollah en Israël artificiëel aangestookt. Zowel Amerika en Israël, als het Iran van president Ahmadinejad (foto) hebben bij deze territoriumoorlog veel te winnen. Na onderzoek van de onderhuidse situatie in deze strijd, blijkt dat de bescheiden Hezbollah-beweging effectief ten voordele van de grootmachten werd gemanipuleerd: een oorlog in Libanon betekent voor Israël het beveiligen van een grootschalige, op til staande olieimport en -export, terwijl Iran officieus zijn nucleair programma kan verderzetten, ondanks officiële mediadruk. De raketaanval op Haifa van 13 juli zet ons op het spoor van de recente bazaardiplomatie tussen Iran en het Westen.

Spookaanval

Het conflict tussen Hezbollah en Israël is volgens de politieke wetenschapper Gerald Steinberg de meest geanticipeerde oorlog in de recente geschiedenis. Een ongeïdentificeerde Joodse officier gaf al in de lente van 2004 softwarepresentaties over deze ‘drie weken oorlog’ aan Westerse ambassades, journalisten en militaire specialisten. Het Israëlisch leger houdt daarenboven sedert een jaar simulatieoefeningen voor deze aanval [0]. Het enige dat aan het plan ontbrak, was een provocatie van de andere kant.

Op 12 juli 2006 worden twee Joodse soldaten door de Hezbollah ontvoerd. Het is duidelijk dat de Arabische fundamentalisten ruzie zoeken. Israël reageert meteen met gerichte luchtbombardementen.
Op 13 juli schiet Hezbollah een raket af op de Joodse havenstad Haifa. Dit zou de gewenste provocatie tot stand brengen die een grootscheepse militaire interventie wettigt. Het Westen is er als de kippen bij om aan de eer te beantwoorden. Op Fox News spreekt men van het uitbreken van de derde wereldoorlog. De Israëlische ambassadeur in de V.S. bestempelt de aanval op Haifa als “a major, major escalation“. Vanuit Tel Aviv weerklinkt het meteen dat voor deze aanval “een zware prijs zal betaald worden”.

De raketaanval op Haifa lijkt echter van een spookeskader te komen. Het type geschut dat werd gebruikt is volgens defensiespecialisten een primeur voor Hezbollah [1]. Het betrof geen traditioneel Katyusha-type — raketten van Russische makelij die gewoonlijk niet verder dan 30-40 km reiken — maar wel een nieuwe generatie, namelijk de Iraans gemerkte Fajr3-raketten, die makkelijk een doel tot op een afstand van 70 km kunnen raken. Onthullend is dat Hezbollahs onderbevelhebber, sjeik Naim Kassem, stellig ontkent dat Hezbollah deze raket op Haifa heeft afgevuurd [2].

Hezbollah wil niet vechten

Een deel van de Hezbollah-top ijvert steeds meer voor onafhankelijkheid tegenover Iran. Vorig jaar, in april van 2005, wil sjeik Naim Kassem zijn troepen ontwapenen op voorwaarde dat Israël zich uit zuid-Libanon terugtrekt. Hezbollah zou in dat geval zelfs bereid zijn als reservistenafdeling toe te treden tot het Libanese leger [3]. De sjeik doet er in mei 2006 nog een schep bovenop: hij stuurt een boodschap de wereld in dat Hezbollah niet zal bijspringen indien Iran door Amerika zou worden aangevallen [4]. Dit stuit Iran ongetwijfeld tegen de borst.

Tussen Iran en de Hezbollah heerst de laatste jaren steeds minder rozegeur en maneschijn. Dat valt aan de basis vanuit cultureel oogpunt te verklaren: Iran is een Perzische staat, waarin slechts een kleine minderheid Arabisch spreekt, terwijl Hezbollah een Arabische, Sjiitische militie is. Iran behoudt liefst een strategische controle over de fundamentalistische Arabische bevolking, maar droomt er eigenlijk stiekem van om op termijn volwassen relaties met de klassieke grootmachten aan te knopen.

Iran werkt samen met de V.S.

Wanneer de belangen samensmelten, regelen Iran en de Verenigde Staten wel eens klandestiene diplomatieke deals die hen beiden voordelig uitkomen. In 1986, tijdens het fameuze Irangate-schandaal, kwam dat voor het eerst aan het licht. De administratie Reagan/Bush had Iran toen van wapens voorzien in ruil voor de bevrijding van gijzelaars die Hezbollah had gevangen genomen. Ook toen al besliste Teheran immers over het doen en laten van de Sjiitische milities.

De inlichtingendiensten van beide landen hebben hun samenwerking de voorbije jaren zonder weerga geïntensifiëerd:

  • Tijdens de oorlog in Afghanistan heeft Iran de Amerikaanse troepen van strategische informatie voorzien over de posities van de Taliban.
  • In 2004 laat Iran troepen van de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie toe om langs zijn grenzen het Iraaks oostfront binnen te trekken. De troepen gehoorzamen aan de Sjiitische ayatollah Ali al-Sistani, een door Iran gesteunde geestelijke die de Verenigde Staten gunstig gezind is.
  • Ayatollah Ali al-Sistani zal door Iran later worden aangemaand zijn gelovigen te doen stemmen in wat de eerste Iraakse democratische verkiezingen zouden worden. Dit zou de Verenigde Staten toelaten zich naar de buitenwereld op te werpen als efficiënte ‘nation builders‘. Met dank aan de Iraanse bemiddeling.
  • In januari 2005 wint het Amerikaanse bedrijf Halliburton een lucratief contract voor de ontginning van het enorme Iraanse olieveld Pars.
  • Duizenden Iraakse Sjiitische vluchtelingen zijn sinds het begin van de oorlog in Iran gehuisvest. Dat geeft Iran de mogelijkheid zich onder de fundamentalistische Sjiitische gemeenschap te mengen. In de oproer van de Iraakse Sjiiten zou dan ook infiltratie van de Iraanse geheime dienst Savak herkenbaar zijn. Het door Iran aangewakkerde geweld in Irak biedt de V.S.-troepen de legitimatie tussenbeide te komen en aldus de subversieve elementen in Irak te bedwingen.
  • ‘State Department spokesman Adam Ereli downplayed suggestions that Iran was assisting Iraqi Shi’as in mounting their resistance to US forces. “I think we’ve seen, generally speaking, reports of suggestions of Iranian involvement, collusion, provocation, coordination”[…]’[6]

    Wortel-en-stok diplomatie

    De recente hulp van Iran aan de Verenigde Staten verloopt niet vanuit sympathie voor het Westen, maar wel omdat Irans nood aan een uitweg over zijn nucleair programma in 2006 een staatsnoodzaak werd. De beproefde Amerikaanse ‘carrot & stick‘-diplomatie — een afwisselend belonen en bestraffen — zou de Iraniërs uiteindelijk zo ver krijgen dat ze al hun troeven moesten inzetten om niet te bezwijken onder de internationale druk en de steeds concreter wordende militaire dreiging vanuit het Pentagon.

    Het conflict tussen Hezbollah en Israël is het resultaat van deze diplomatieke schermutseling, een schandaal waarbij Irangate in het niets vervalt. In april 2004 stuurden de Verenigde Staten hun eerste verzoek voor ‘samenwerking’ naar Iran, met een mogelijke beloning voor Irans nucleair programma daaraan verbonden:

    “[…] the first US message concerning potential Iranian mediation was sent in early April. There was reportedly a ‘carrot’ attached to the US request: in return for Iranian assistance, the US government offered to soften its stance on Iran’s nuclear program.”[5]

    Indien Iran niet onderuit wou gaan over zijn nucleair programma, moest het aan de noden van de V.S. in het Midden-Oosten tegemoet komen. Deze klandestiene dreiging werpt zijn vruchten af: Iran zou aan de chantagepolitiek beantwoorden, het had geen andere keuze.

    Iran heeft een rol gespeeld in de aanwakkering van het conflict met Israël, en daarna ongetwijfeld ook het logistieke materiaal van de Hezbollah-milities op een niveau gehouden dat het partij kon blijven bieden aan het Israëlisch leger. BBC-journalist Greg Palast benadrukt in een artikel getiteld Blood in Beirut: $75.05 a Barrel dat indien de Iraanse leiders dat wensen, de Hezbollah-acties tegen Israël in een oogwenk zouden ophouden. Hetgeen om geopolitieke redenen uitblijft.

    De ervaren voorzitter van de Libanese Progressive Social Party, Walid Joumblatt, verklaart om welke geopolitieke redenen dat gaat. In een gesprek met de Franse krant Le Monde van 15 augustus 2006 zegt hij:

    “Over de verbrande aarde van Libanon bespreekt Iran de voorwaarden voor het vervolg van zijn nucleair programma.”

    In begin juli 2006 zocht Iran verwoed naar een opening om aan de onafgelaten Westerse druk over zijn nucleair programma te ontsnappen, tot en met president Ahmadinejads poging tot rechtstreekse correspondentie met het Witte Huis. Ali Larijani, Irans nucleaire onderhandelaar, zou het uiteindelijk van de Verenigde Staten en de EU gedaan krijgen dat de militaire dreiging tegen zijn land verdwijnt, en dat het Iraans nucleair probleem op de lange baan wordt geschoven.

    Er circuleren tegelijk geruchten dat de Iraanse controle over de Sjiitische terreurgroep Hezbollah intussen sterk is toegenomen, en dat Iran een charmeoffensief tegenover het Westen heeft ingezet [7]. In 2005 vermoedde Arabië-kenner Jalal Ghazi al dat Iran zijn greep op de Sjiitische Hezbollah zienderogen aan het versterken was om binnenkort in zuid-Libanon een opstand tegen Israël te kunnen organiseren. Zijn artikel Arab Media See U.S.-Iranian Deal-Making Behind a War of Word, heeft dan ook de veelzeggende titel ‘Arabische media zien Amerikaans-Iraanse deal achter oorlog met woorden’.

    13 juli 2006. Een plotse Hezbollah-aanval die niet eens door Hezbollah-sjeik Naim Kassem wordt opgeëist wordt door Israël disproportioneel beantwoord. Via Hezbollah ontploft het volgend kruitvat waar Israël en de V.S. zo op wachtten.

    18 juli 2006: Op de G8-top der rijkste landen komt Irans nucleair programma niet eens ter sprake, daar waar het enkele weken eerder nog dramatisch wereldnieuws was. Irans atoomprogramma wordt definitief in de schaduw gesteld van het nieuwe Midden-Oosters conflict.

    Wat hebben de V.S. en Israël met deze oorlog te winnen? Dankzij deze post-Iraakse oorlog kan Israël de veiligheid van zijn toekomstige import van essentiële grondstoffen uit het noorden garanderen. Met als toetje dat het zich als leverancier aan het oosten kan opwerpen. Dit conflict biedt inderdaad geen variatie op het thema dat de internationale politiek van de laatste 50 jaar beheerste: olie.

    Olie, gas en water voor Israël

    In zijn editoriaal The War on Lebanon and the Battle for Oil schetst de Canadese economie-professor Michel Chossudovsky hoe de oliebelangen met de oorlog in Libanon verbonden zijn. De dag voor de schermutselingen begonnen lieten vertegenwoordigers van de Baku-Tblisi-Ceyhan oliepijpleiding samen met Amerikaanse en Israëlische regeringsvertegenwoordigers in Istanbul de kurken knallen tijdens de officiële inhuldiging van hun bouwwerk: de tweede grootste petroleum- en gaspijpleiding ter wereld, die olie vanonder de Kaspische Zee a ratio van één miljoen vaten per dag naar Europa transporteert. De Kaspische Zee geldt als de derde rijkste fossiele energiebron ter wereld [8].

    De toekomstige vertakkingen van deze Kaspische olie vallen samen met de grote geostrategische invasies die de Verenigde Staten sinds elf september 2001 uitvoerde. Landen als Uzbekistan, Turkmenistan en Afghanistan zullen binnenkort onderdak bieden aan de BTC-pijpleidingen om de Kaspische energiebronnen oostwaarts te transporteren. Een triomf voor de V.S., vermits die landen nog niet zo lang geleden onder de Sovjetrussische hegemonie vielen. Amerika heeft er sinds september 2001 dan ook veel burgerslachtoffers voor over gehad om deze centraal-Aziatische regio onder haar controle te krijgen.

    Israël is op dit moment afhankelijk van een dure energieimportering over zee. Het is via die weg al de tweede grootste klant van de BTC. Vertegenwoordigers van de Westerse oliebedrijven en Israël spraken op 15 juli 2006 af van die handelsrelatie binnenkort uit te breiden. Het is weinig geweten dat consortiums zoals British Petroleum en Chevron vanuit het BTC-eindpunt in de Turkse haven Ceyhan zo snel mogelijk rechstreekse pijpleidingen naar Israël willen graven. Er wordt ook luidop gebrainstormd over Israëls rol in de doorsluizing van de Kaspische olie naar het Verre Oosten.

    Daar komt nog eens bij dat Turkije gigantische ondergrondse waterleidingen naar het zuiden plant die Israëls nijpende droogte moeten helpen oplossen [9]. Toegang tot vers water in het Midden-Oosten wordt binnenkort één van de grootste politieke knelpunten. Vermoedelijk is Israëls militaire campagne bedoeld om ook dat probleem op hardhandige doch efficiënte wijze op te lossen.

    De Westerse bedrijven beginnen echter niet aan dergelijke enorm kostelijke projecten vooraleer ze zeker zijn dat de leveringsintegriteit van hun produkt verzekerd is. Voordat de constructie van die grootse olie-, gas- en waterleidingen kan aanvangen, moet de regio tussen Turkije en Israël dus beveiligd worden. En dat is precies waar het Syrisch-Libanese probleem zich bevindt. De oorlog tussen Israël en Hezbollah moet kost wat kost een ‘pacificatie’ van deze toekomstige transitregio tot stand brengen.

    (Klik op map om te vergroten)

    Israël zou zich na ontvangst van de Kaspische rijkdommen in de toekomst kunnen transformeren van olieimporteur tot -exporteur. Een schematische schets van de geplande oliepijpleidingen vertrekt vanuit de Kaspische Zee, loopt onder de oostkust van de Middellandse Zee door om, via Libanon, op Israëlisch grondgebied uit te komen. Van daaruit kan de olie uiteindelijk via Israëls pijpleidingen tot bij de Joodse haven Eilat, aan de Rode Zee, uitmonden. Na vervolmaking van dit grootschalig bouwproject kan Israël zich als toekomstige maritieme leverancier van olie en gas aan India en China opwerpen.

    Achter deze ogenschijnlijk lokale ruzie tussen Hezbollah en Israël ontvouwt zich met dit project de grote geostrategische uitdaging. Want wie de reusachtige ontwikkelingslanden India en China binnenkort van petroleum voorziet, wordt de invloedrijkste natie van de 21ste eeuw.

    ————-
    [0] Matthew Kalman, Israel set war plan more than a year ago, San Francisco Chronicle, 21 juli 2006.
    [1] Hezbollah’s biggest missile yet, Defense Tech, 16 juli 2006.
    [2] Fouad Ajami, Haifa Hit A ‘Major Escalation’, CBS News, 13 juli 2006.
    [3] Report: Hezbollah to drop arms if Israel quits Shebaa, Haaretz, 8 april 2005.
    [4] Lin Noueihed, Hizbollah sees no need to aid Iran if U.S. strikes, 22 mei 2006.
    [5] Jalal Ghazi, Arab Media See U.S.-Iranian Deal-Making Behind a War of Words, Pacific News Service, 15 maart 2005.
    [6] Ardeshir Moaveni, US-Iranian Cooperation Initiative on Iraq Falls Apart Amid Iranian Diplomats’ Assassination, Eurasia Insight, 16 april 2004.
    [7] Afshin Molavi, The Persian Game, Salon, 20 juli 2006.
    [8] Baku Today, Leaders inaugurate strategic BTC pipeline, 13 juli 2006.
    [9] Etgar Levkovits, Israel and Turkey plan energy pipeline, Jerusalem Post, 11 mei 2006.

    « Vorige paginaVolgende pagina »